Leeuwarder Courant en Dagblad van het Noorden 15 juli 2018

 

Maarten Loonen in de pers
ga naar index --- vorige --- volgende


Vier pagina's in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, geschreven door Halbe Hettema en gefotografeerd door Marcel van Kammen tijdens een vierdaags verblijf in Ny-Ålesund. De volledige tekst is onder de twee figuren van de opmaak te vinden, met video in de rechterkolom.


Onderzoeker Maarten Loonen van Rijksuniversiteit Groningen reisde in 1990 voor het eerst naar Spitsbergen voor onderzoek naar ganzen. Ruim een kwart eeuw later komt hij er nog altijd in de zomer. In de poolstreek waar het razende tempo van de klimaatverandering hem aangrijpt. ,,Ik word heel emotioneel van wat ik hier zie.''

Een harde plons, een harde klap. We kijken achterom en zien een enorme brok ijs van de gletsjer afbreken en een zware deining in het water veroorzaken. Onderzoeker Maarten Loonen had er al over verteld. Smeltende gletsjers, het fenomeen dat het klimaatprobleem zo tastbaar maakt. Nu we het ook werkelijk meemaken, zijn we er stil van. Het is angstaanjagend.

We zijn een paar dagen op bezoek in Ny-Ålesund, het onderzoekscentrum op Spitsbergen waar Loonen van het aan Rijksuniversiteit Groningen verbonden Arctisch Centrum met een viertal studenten 's zomers onderzoek doet naar brandganzen in relatie tot de vogeltrek en het veranderende klimaat.

De smeltende gletsjers zijn de kern van het verhaal. We varen vanuit het dorp door het Kongsfjord om de vogels langs de kust te tellen. Dat doen de onderzoekers wekelijks. Op een middag kunnen ze het halve fjord zo'n beetje beslaan.

We treffen het. Het is een zonovergoten dag, een graad of negen met weinig wind. Dat doet bijzonder aan, op deze plek op 79 graden Noorderbreedte in de poolstreek. De tocht voert ons eerst over open water, later tussen de ijsschotsen wordt het kouder en komt de warme kleding toch van pas.

We naderen de zeehonden. Die zitten op de brokken ijs. Volwassen baardrobben die in de rui zijn, een jong beestje van een maand of drie en een zogende moeder met pup. Ze doen het goed in de poolstreek.

We varen langs de gletsjers. Een indrukwekkend beeld, die ijsmassa's, maar het staat in geen verhouding tot wat het vroeger was. Loonen komt hier al vanaf 1990 en kan dus de vergelijking maken met een kwart eeuw geleden. Hij wijst naar een steile rots, waar tientallen meters in de hoogte de slijtsporen van ijs zijn te zien. Een rechte horizontale lijn. ,,Tot op die hoogte kwam het ijs in die tijd.''

De gletsjers smelten, wat rest is water. Dat is wat de opwarming van de aarde doet. Hier, in deze arctische streken, is de gemiddelde temperatuur al met 2 graden gestegen.

Het heeft directe gevolgen voor flora en fauna. Specifiek voor de brandganzen in Ny-Ålesund geldt dat ze te maken hebben met een nieuwe toppredator: de ijsbeer.

We kwamen eigenlijk voor die ganzen. Ze zouden als wij er waren net kuikens hebben, in hun kolonies op de eilandjes voor de kust. Honderden paartjes zouden er zitten en wij zouden meegaan om ze te tellen.

Dat was een misrekening. De ijsberen waren ons voor. Ze roofden zo goed als alle eieren en wat ze lieten liggen was voor de grote burgemeesters, de zeevogels die profiteerden van de in de kolonies ontstane onrust. De onderzoekers zaten er bij en keken er naar, achter de ramen, veilig in de eetzaal. ,,Bijna achthonderd nesten verdwenen, met gemiddeld vijf eieren. Dus vierduizend eieren weg'', vat Loonen samen. ,,Het is hier een mislukt broedseizoen.''

Honderd jaar geleden zullen de ijsberen hier ook zijn geweest. Maar toen werden ze bejaagd. In 1991 vertoonde het eerste beest zich in het dorp van de onderzoekers. Dat was nog een incident. In 2006 kwam de volgende en zo bouwde de aanwezigheid van de gevaarlijke dieren zich op tot tien bezoekjes dit jaar. Een record dat niet tot vreugde stemt.

Door honger gedreven trekken ze dieper de baai in. Dat hoefden ze vroeger niet, want 25 jaar geleden lag overal nog ijs. Het was voor een ijsbeer een koud kunstje om een zeehond te pakken.

Elders in de poolstreek zullen de dieren het nog lastiger hebben, vertelt Loonen. Hier zitten op ijsschotsen nog wel zeehonden die als prooi kunnen dienen. Kennelijk genoeg om in de winter voldoende energie op te doen voor voortplanting, want de volwassen ijsberen vertonen zich met jongen. Dat is in het poolgebied tegenwoordig al bijzonder.

Of het goed voor ze is dat ze zich voeden met eieren, is de vraag. Proteïnen als bestanddeel zijn weliswaar erg voedzaam, maar de ijsberen raken er flink van in de diarree. Grote opgedroogde plassen stront op de eilandjes waar ze geweest zijn, getuigen ervan. Een door een onderzoeker op een eilandje gevonden uitgekotste haarbal, met resten van eischalen, is ook een bewijs van de aanwezigheid van de beesten.

De onderzoekers hebben er maar mee om te gaan. Zodra Loonen zich buiten het dorp begeeft, laadt hij zijn geweer, volgens het strikt na te leven protocol. Geregeld speurt hij dan door zijn verrekijker de omgeving af om te kijken of de kust veilig is. ,,Er is niks wits of grijs te zien'', meldt hij geruststellend. Hoewel wij als bezoekers toch graag eens een ijsbeer hadden willen waarnemen, zij het op veilige afstand. Het komt er deze dagen niet van. De ijsberen hebben hier ook niet veel meer te zoeken nu alle eieren op zijn.

Voor de veiligheid moeten alle onderzoekers die er op uitgaan cursussen volgen. Over het leven van ijsberen en om met een geweer te leren omgaan. Op de schietbaan wordt hun vaardigheid jaarlijks opnieuw getest.

Loonen heeft nooit op een ijsbeer hoeven schieten. ,,Gelukkig niet'', zegt hij. ,,Alleen eens een lichtkogel om er een op afstand te houden.''

Steenkoolwinning
IJsberen laten zich niet zien als we een wandeling buiten het dorp maken. Loonen wil ons de sporen van de historie van Ny-Ålesund laten zien. We staan stil bij een monument van de Noorse Staatsmijnen. Voor de steenkoolwinning werd het dorp in 1916 gesticht. Mijnwerkers kwamen naar hier en namen hun gezin mee. Voor de kinderen werd zelfs een school gebouwd.

Het was hard werken in de mijnen, onder zware omstandigheden. Maar het verdiende goed. Zo kwamen er Noorse vrijgezelle mannen die in een jaar tijd zoveel geld wisten te sparen dat ze daarna een huis konden kopen en een gezin stichten.

Echt rendabel werd de steenkoolwinning nooit, in de beste jaren kon het net zo'n beetje uit. Het einde kwam onverwacht met een ernstig ongeluk. Op 5 november 1962 stortte een mijn in en vonden 21 arbeiders de dood. Hun lichamen zijn nooit geborgen.

Dit ongeval was de druppel die de emmer deed overlopen, nadat eerder in twintig jaar tijd ook al tientallen mijnwerkers hier het leven lieten. Een spoeddebat in het Noorse parlement volgde, het kabinet viel over wat de Kings Bay Affair werd genoemd. Het mijnwerkersdorp ging dicht. Per direct.

In het dorp vertelt een expositie in het museum het verhaal van de steenkoolwinning, maar buiten is dit verleden nog tastbaar. Bijna niks is opgeruimd. Bielzen van het oude spoorbaantje liggen er nog, er staan roestige oude karretjes, er ligt een wiel van een locomotief, oude luchtgaten van de mijnen zijn te herkennen aan de staande planken rondom en overal ligt oud hout.

Een desolate toestand als herinnering aan een dramatisch verleden. ,,De grond is ook vervuild'', vertelt Loonen met een blik op deze chaos. ,,In ganzen die hier grazen is gif gevonden.''



Ny-Ålesund kreeg een nieuwe bestemming. In 1967 werd het een telemetriestation, in 1990 kwamen onderzoekers van verschillende disciplines naar het dorp en nog eens twee jaar later werd het officieel een onderzoeksstation voor internationale wetenschappers, onder wie Maarten Loonen. Tien landen hebben hier 's zomers nu hun onderkomen. Dan verblijven er zo'n 150 onderzoekers en dienstverleners in de houten huizen. 's Winters houdt het met dik dertig mensen op.

Trots noemt de beheerder Ny-Ålesund de noordelijkste permanent bewoonde nederzetting ter wereld, met het noordelijkste winkeltje – dat twee keer per week een uurtje open is – en met het noordelijkste postkantoortje waar veel kaarten op de bus worden gedaan door de toeristen die met een cruiseschip deze plek aandoen.

In deze ambiance doen Loonen en zijn mede-onderzoekers hun werk. Ze zetelen in de London Houses, houten huisjes van meer dan een eeuw oud die oorspronkelijk aan de andere kant van de baai stonden.

Rondom grazen de ganzen met de overgebleven kuikens op de toendra, maken de noordse sterns agressieve duikvluchten op passanten die hun nesten te dicht naderen, komt eens een poolvos voorbij om te zien of er voor hem nog wat aan eieren te halen valt en voeden rendieren zich met de ganzenkeutels waar nog wat niet verteerde grasresten zitten. Sneeuwgorzen vliegen af en aan naar hun kroost in de nestjes die ze in holten maakten.

Al die verzamelde dieren zorgen voor een amper te bevatten schouwspel voor iemand die hier niet eerder was.

De Groninger onderzoeker kwam hier een kwart eeuw geleden met de specifieke vraag wanneer er een einde zou komen aan de populatiegroei van de brandganzen. In eigen land namen de aantallen ganzen steeds maar toe, zodat die kwestie actueel werd.

Het trekgedrag van de ganzen is nog altijd de basis van het onderzoek, met in toenemende mate aandacht voor de klimaatproblematiek die zo'n grote invloed heeft.

Maar het begon dus met de ganzen. De bekende ornitholoog Jan P. Strijbos zag als pionier in 1957 in dit gebied de eerste brandgans. Die zat toen op een klif. Later kwamen door het verdwijnen van het ijs in de baai de eilandjes vrij. Dat was ideaal voor de ganzen, want op die plek waren ze onbereikbaar voor de poolvos, voor de komst van de ijsbeer hun belangrijkste belager.

'Als de Barentszee niet meer bevriest is de motor uit het systeem'

De totale ganzenpopulatie in Ny-Ålesund liep snel op, tot een kleine twintig jaar geleden. Toen kwam hier de ommekeer, door de veranderende omstandigheden.

Wat deze zomer in Ny-Ålesund rest zijn zo'n dertig ganzenkuikens in het dorp en zeventig verderop in het fjord. Ze scharrelen als families op de toendra rond. Het zullen er nog minder worden, vreest Loonen: ,,Ze zijn nog niet veilig voor de poolvossen.''

Volwassen ganzen moeten het voor het merendeel zonder nageslacht doen. Als je deze rondstruinende dieren menselijke eigenschappen mocht toedichten, zou je ze ontredderd willen noemen.

De oude ganzen gaan in de rui, als de jongen zeventien dagen oud zijn en de moeders ze niet meer warm hoeven te houden. Ze verliezen de slagpennen en kunnen dan vier weken niet vliegen.

Risico's
Dat houdt opnieuw risico's in. Ze blijven in deze periode het liefst in de buurt van het water, zodat ze bij dreigend gevaar aan de poolvossen kunnen ontkomen. Als het gras daar op is, moeten ze verder landinwaarts de toendra op. Daar zijn ze een gemakkelijke prooi. ,,Vossenvoer'', noemt Loonen dat.

Als ze dat overleven, zitten ze snel weer in de veren. Na 45 dagen zijn ook de kuikens zo groot dat ze de reis naar hun winteroorden kunnen maken. Dan is het wachten nog op de mannetjes, die er niet op zijn ingesteld dat de vrouwtjes zich hebben aangepast aan het veranderende klimaat en daarom gemiddeld twee weken eerder zijn gaan broeden. Loonen: ,,In principe vertrekt de hele familie dan tegelijk.''

In het geval van de brandganzen van Spitsbergen is Schotland de bestemming. Hun soortgenoten die in ons land overwinteren, horen voornamelijk tot de Russische populatie broedvogels.


Tussen krijsende meeuwen
Ook andere vogelsoorten dan ganzen zijn in Ny-Ålesund onderwerp van studie. De broedende noordse sterns bijvoorbeeld. En als de gelegenheid zich voordoet kijken de wetenschappers ook graag een eindje verderop in het fjord, bij de steile rotsen waar de drieteenmeeuwen broeden. Op het water verraden ze hun aanwezigheid al. Ze zitten op klompen ijs, niet ver van het klif waar ze hun broedkolonie hebben. Een korte klim brengt ons naar een smalle richel, vlak onder de tientallen nesten. Het is er een gekrijs, een kabaal van jewelste. En het stinkt er. We staan in de meeuwenstront en de eiresten van uitgekomen kuikens. Desondanks is het een geweldige belevenis. Ook op deze plek verraden vogelonderzoekers hun aanwezigheid. Er zijn meeuwen met roze en blauwe vlekken, aangebracht om ze individueel te herkennen en te volgen tijdens het broeden. Een eindje verderop staan camera´s, gericht op holen van poolvossen. Ook de drieteenmeeuwen ontkomen niet aan predatie. Verderop zit een grote burgemeester op de loer, in afwachting van een gemakkelijke prooi. De kleine jager heeft een ander doel. Ze jaagt een meeuw net zo lang op tot ze moet braken. De belager voedt zich met de kots.

Wat aan brandganzen van Ny-Ålesund op Spitsbergen in de herfst van dit jaar naar de overwinteringsgebieden zal vliegen, zal vooral uit oudere vogels bestaan. Maar Loonen weet de ellende van een mislukt broedseizoen enigszins te relativeren: ,,De brandgans wordt gemiddeld zeventien jaar. Om de stand op peil te houden, zijn twee nakomelingen voor ieder paar voldoende, in hun hele leven. De soort heeft zich dus ingesteld op veel verlies.''

Het gaat nog steeds specifiek over de populatie van Ny-Ålesund, die ene bijzondere plek. Het zegt weinig over de ontwikkelingen op heel Spitsbergen. Integendeel zelfs, want het aantal brandganzen neemt in zijn totaliteit nog altijd toe.

En ook nu weer gaat het over klimaatverandering, over opwarming van de aarde. Die maakt dat het areaal aan toendra als broedgebied groter wordt.

Aan de oostkant van Spitsbergen, op het onbewoonde eiland Edgeøya, is het door de koude stroming van de Noordpool zo'n 4 graden kouder dan in de omgeving van Ny-Ålesund, legt Loonen uit: ,,We hebben altijd gezegd: daar zal de brandgans nooit komen. Maar nu warmt het in die streek ook op.''

Het winterseizoen is er inmiddels tweeënhalve maand korter, er liggen eilandjes om veilig te broeden in meertjes waar de ganzen kunnen rusten. Zo ontstaat ook daar geschikte broedgelegenheid. En zo zijn er meer plekken waar de brandgans terecht kan.

Loonen en zijn studenten gaan onverdroten door met het onderzoek in Ny-Ålesund. Naar de grasgroei op de toendra, bijvoorbeeld, die beperkt wordt door het gegraas van de ganzen. In hoekjes met gaas er omheen, waar de vogels niet kunnen komen, is de vegetatie veel hoger en soortenrijker dan op de begraasde toendra. Dat heeft ook invloed op de wortels, die met veel meer massa de winter ingaan.

Verstoring
Tegelijk kijken de onderzoekers naar menselijke verstoring. Anders dan vroeger gedacht, blijkt dat de ganzen daar niet erg gevoelig voor zijn zolang ze niet worden bejaagd.

De vraag wanneer en hoe er een einde komt aan de groei van de populatie is nog niet beantwoord, alle modellen die Loonen er sinds het begin op losliet ten spijt. ,,Ze helpen ook niet, zulke modelstudies. Er doen zich steeds nieuwe omstandigheden voor die de voorspellingen in de war schoppen.´´

De ganzen zelf nemen beslissingen die niet te voorzien zijn. Maakten ze vroeger op de trek naar het noorden een tussenstop om onderweg nog eens twee weken lang te kunnen opvetten, tegenwoordig vliegen ze in een keer door. Het gras in de overwinteringsgebieden geeft meer energie, zodat ze met een volle buik aan de reis kunnen beginnen.

Zodoende kunnen ze ook later weg en is de overlast groter voor boeren in wiens weilanden ze tijden het overwinteren grazen. Ook duurt de winter op Spitsbergen korter. Op het moment dat de ganzen arriveren zijn ijs en sneeuw gesmolten, zodat er direct voedsel beschikbaar is op de toendra.

Tegen zulke veranderingen is geen theoretische modelberekening bestand. Maar toch, ooit komt de toename van de ganzen tot stilstand, lacht Loonen minzaam. ,,Dat de groei altijd doorgaat, is onzin. Onderlinge concurrentie van de vogels stelt grenzen aan de populatie.´´ Maar wanneer? De onderzoeker moet het antwoord nog schuldig blijven.

Ondertussen zijn ook andere vogelsoorten onderwerp van studie. De broedende noordse sterns bijvoorbeeld. En als de gelegenheid zich voordoet kijken de wetenschappers ook graag een eindje verderop in het fjord, bij de steile rotsen waar de drieteenmeeuwen broeden.

Op het water verraden ze hun aanwezigheid al. Ze zitten op klompen ijs, niet ver van het klif waar ze hun broedkolonie hebben. Een korte klim brengt ons naar een smalle richel, vlak onder de tientallen nesten. Het is er een gekrijs, een kabaal van jewelste. En het stinkt er. We staan in de meeuwenstront en de eiresten van uitgekomen kuikens. Desondanks is het een geweldige belevenis.

Ook op deze plek zijn vogelonderzoekers actief. Ze markeerden meeuwen met roze en blauwe vlekken om ze individueel te kunnen herkennen en te volgen tijdens het broeden. Een eindje verderop staan camera´s, gericht op holen van poolvossen. Ook de drieteenmeeuwen ontkomen dus niet aan predatie.

Verderop zit een grote burgemeester op de loer, in afwachting van een gemakkelijke prooi. De kleine jager heeft een ander doel. Deze vogel jaagt een meeuw net zo lang op tot ze moet braken. De belager voedt zich met de kots.

Ondanks alle bedreigingen gaat het goed met de drieteenmeeuwen op Spitsbergen, net als met de zwarte zeekoeten en de papegaaiduikers, vertelt Loonen. Met de dikbekzeekoeten en de ganzen is het slechter gesteld.

Het is tijd om terug te varen, langs de hoge rotsen en gletsjers. Met bergen van 600 meter hoog en water van 400 meter diep. Het is onvoorstelbaar dat de gletsjers drie keer zo hoog waren en in oppervlakte twee keer zo groot. Toch was dat het geval, net iets meer dan een kwart eeuw geleden.

Het is beangstigend, zegt Loonen die het verval meemaakte. De gemiddelde temperatuur steeg hier met gemiddeld 2 graden, meest in de winter. De neerslag zat op een jaarlijks gemiddelde van 250 millimeter, nu is het drie keer zoveel.

Zaadbank
De permafrost ontdooit. In Longyearbyen, de grootste nederzetting op Spitsbergen, verwoesten lawines en aardverschuivingen gebouwen. In dit dorp is een zaadbank gevestigd, in een nieuw gegraven tunnel, met het doel zaden veilig te stellen voor het geval de wereld door atoomgeweld wordt verwoest. Het smeltwater loopt erin en bevriest, zodat de tunnel een ijsglijbaan wordt. En dat in vijf jaar tijd.

Loonen wijst ook op een gebouw in Ny-Ålesund. Het staat er net twee jaar en verzakt nu al door bodemdaling als gevolg van het smelten van de permafrost. Bouwvakkers zijn de schade aan het herstellen.

Dat gebeurt dus bij een opwarming van 2 graden. Als die temperatuurstijging ook in de rest van de wereld een feit wordt, is het op Spitsbergen plus 6 graden. Het zal fatale gevolgen hebben. ,,Het landijs en de gletsjers zullen in nog rapper tempo smelten. De noordelijke bossen gaan eraan.´´

Loonen schetst het meest dramatische scenario, met de Barentszzee die niet meer bevriest. ,,Dan is de motor uit het systeem. Als de permafrost ontdooit, komt methaan uit de bodem vrij. Met een opwarmingseffect dat 24 keer groter is dan CO2. Dat is een kantelpunt, net als het wegsmelten van de ijskappen.´´ De hele wereld zal met de gevolgen te maken krijgen.

De onderzoeker die begon met een populatiestudie van brandganzen, werd klimaatwetenschapper tegen wil en dank. En dat hakt erin. ,,Ik heb het zien veranderen op Spitsbergen, ik zit er hier middenin, en dat maakt dat ik er heel emotioneel over ben.´´

Desondanks blijft de poolstreek een geweldig gebied. ,,Het is hier echt fantastisch. Niet alleen voor wie hier voor het eerst komt, maar ook nog steeds voor mij. Het is een inspirerende wildernis.''


 www.maartenloonen.nl
________________